18 januari 2006

Nood aan meer Nederlandstalige kinderopvang

 

Dat er in Brussel plaatsen in de kinderopvang te kort zijn was al bekend! Maar hoe groot is precies de nood en welke plaatsen moeten er waar bijkomen? Wie maakt er gebruik van onze kinderdagverblijven en voor welke groepen is de (financiële) drempel te hoog? Hoe zit het met het taalgebruik? Om op die en veel meer vragen een antwoord te krijgen bestelde VGC-collegelid Brigitte Grouwels, bevoegd voor Welzijn en Gezondheid, een wetenschappelijke studie.

Deze resultaten zijn niet alleen belangrijk vanuit strikt wetenschappelijk oogpunt. Ook vanuit het beleid dringen zich een aantal conclusies op.

VGC-collegelid Brigitte Grouwels dringen vijf aandachtspunten zich op:

1. Er is een groot tekort aan plaatsen!

Er zijn in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest 42 164 kinderen onder de drie jaar.

Volgens een Europese richtlijn moet er tegen 2010 voor 33% van de kinderen onder de drie jaar plaats zijn in de kinderopvang. In totaal moeten er dus 13 914 plaatsen zijn. Volgens de 30 procent-norm (Vlaams regeerakkoord) betekent dat: 4174 plaatsen in Nederlandstalige voorzieningen.

Volgens de officiële cijfers stelt zich geen probleem. Het totale Brusselse aanbod zou 13 571 plaatsen bedragen, waarvan 5894 plaatsen aan Vlaamse zijde.

In deze cijfers zijn echter ook de 1089 plaatsen van de Europese kinderdagverblijven vervat (niet toegankelijk voor Brusselse kinderen). Van de 4805 resterende ’Vlaamse’ plaatsen zijn er bovendien een groot aantal homogeen Franstalig. In realiteit zijn er 2795 zuiver Nederlandstalig en 794 tweetalig. Samen: 3589 plaatsen.

Dat het om een reële behoefte gaat blijkt uit het volgend cijfer: tussen 1 januari 2005 en 30 juni 2005 (zes maand) werden ruim 7000 kinderen geweigerd, wat overeenstemt met het aantal inschrijvingen op een heel jaar. Voor de meeste voorzieningen dient men ongeveer een jaar of meer te wachten en voor enkele voorzieningen loopt die wachttijd op tot anderhalf tot twee jaar.

Er is nood aan een inhaalbeweging om het tekort van (4174 – 3589 =) 585 plaatsen in de Nederlandstalige kinderopvang in Brussel weg te werken. Het Nederlandstalige aanbod moet ook meer zichtbaar worden in het straatbeeld, bijvoorbeeld door het gebruik van een N-logo (zoals in het Nederlandstalig onderwijs).

2. Voorrang aan gesubsidieerde plaatsen

Op dit ogenblik zijn kinderen uit homogeen Nederlandstalige gezinnen goed voor 21,7 procent van de ingevulde plaatsen (minder dan 1000 kinderen) in alle kinderdagverblijven samen. Met de tweetalige gezinnen erbij is dat 61,01 procent.

In de erkende kinderdagverblijven alleen komen 75 procent van de kinderen uit ofwel homogeen Nederlandstalig ofwel tweetalige gezinnen. Terwijl de erkende kinderdagverblijven minder dan de helft van de totale opvangcapaciteit uitmaken, bereiken zij drie kwart van de Nederlandstalige gebruikers.

Verder dient opgemerkt dat het werken met onthaalouders in Brussel problematisch is en dat de bezettingsgraad in de kinderdagverblijven van het gemeenschapsonderwijs een ’ruime marge voor verbetering’ vertoont (mediaan is 72%-bezetting, terwijl dat voor de erkende kinderdagverblijven 82% is).

Aangezien Vlaamse plaatsen bij voorrang bedoeld zijn voor Nederlandstalige kinderen en gelet op het plaatsgebrek moet er prioritair worden geïnvesteerd in erkende kinderdagverblijven. Ook zou de bezettingsgraad in de kinderdagverblijven in het gemeenschapsonderwijs, moeten worden opgetrokken.

Maar er is nog een reden om vooral te investeren in erkende kinderdagverblijven... Enerzijds ligt het gemiddelde inkomen in Brussel onder het Vlaamse gemiddelde, zijn er meer alleenstaande ouders,... Anderzijds ligt de gemiddelde prijs voor voltijdse opvang in de zelfstandige sector rond de € 440 per kind per maand.

Dat is het bedrag dat in de erkende kinderdagverblijven wordt betaald voor gezinnen met een netto belastbaar inkomen tussen € 70 000 en 80 000. Het gemiddelde inkomen per aangever in Brussel bedraagt echter slechts € 18 270 (in 2002).

Voor de lagere inkomens is de zelfstandige sector niet betaalbaar. De erkende kinderdagverblijven moeten dus ook meer oog hebben voor hun sociale functie (lage inkomens, eenoudergezinnen, allochtonen,...).

3. Oog voor diversiteit, meer flexibiliteit

Bijna alle gebruikers van de kinderopvang zijn werkende ouders. Werklozen en werkzoekenden vinden zelden een plaats in de kinderopvang. Alhoewel er in Brussel relatief meer eenoudergezinnen zijn (die beschikken over een beperkter gezinsbudget en erg afhankelijk zijn van kinderopvang voor hun gezinsinkomen), vangen een groot aantal voorzieningen vangt nauwelijks eenoudergezinnen op. Volgens de Vlaamse regelgeving moeten de gesubsidieerde voorzieningen voorrang geven aan eenoudergezinnen.

Alhoewel hier precieze cijfers ontbreken zitten er vandaag al heel wat kinderen van allochtone oorsprong in Vlaamse kinderdagverblijven. Toch zijn ze nog ondervertegenwoordigd, zeker als we de kinderen van EU-burgers (in de zelfstandige sector) buiten beschouwing laten.

Alhoewel de voorrang moet gaan naar kinderen uit (homogeen) Nederlandstalige gezinnen, moet het aanbod openstaan voor iedereen, ook voor kinderen uit sociaal zwakkere en allochtone gezinnen.

Bij de criteria die de zoektocht van ouders naar geschikte kinderopvang verklaren scoort de overeenkomst van de openingsuren met de werkuren opvallend hoog. Er blijkt vooral behoefte te zijn aan ’flexibele opvang’ in de vooravond (iets latere openingsuren). Daarnaast is er ook behoefte aan opvang van zieke kinderen.

De kinderdagverblijven moeten nog beter inspelen op de reële (!) behoeften aan flexibele en occasionele opvang.

4. Werk maken van een taalbeleid

Uit het onderzoek blijkt dat dat sociaal zwakke ouders, met het oog op de toekomst van hun kinderen, heel veel aandacht besteden aan het Nederlandstalige karakter van de kinderdagverblijven. Hier moet maximaal op worden ingespeeld.

Er moet dringend werk worden gemaakt van een doorgedreven taalbeleid in de kinderopvang. De doorstroming van de Nederlandstalige kinderopvang naar het Nederlandstalige onderwijs worden verzekerd. Het GOK-decreet stelt wat dit betreft problemen in Brussel.

5. Permanente opvolging cijfermateriaal

De studie mag beschouwd worden als een ’nulmeting’. Het is nuttig en noodzakelijk om de cijfergegevens in de toekomst systematisch te blijven verzamelen en verder aan te vullen. Daarbij dient ook een werkbare definitie van het begrip ’allochtoon’ te worden gebruikt. Voor beide aspecten kan inspiratie worden geput uit de jaarlijkse tellingen in het Nederlandstalige onderwijs in Brussel (al moeten die nog worden verfijnd).

Er moet en zal werk worden gemaakt van een systematische registratie van cijfers.

wetenschappelijke studie: klik hier

Categorie: 
 

Volg mij ook via

Laatste foto's

Twitter